Wat ik wérkelijk blijk te zijn is niet te lokaliseren.

 

183

Gedachten flikkeren altijd uitsluitend één voor één als reflecties in het bewuste Zijn op. Het besef dat er zich telkens maar één reflectie voordeed, bleek van groot belang te zijn. Het was een grote hulp voor het doorzien van de illusie waardoor ik dacht een heuse “iemand” te zijn. Ik had de neiging om tegen mijzelf te zeggen: “Joaniek, leer het stomweg uit je hoofd. Het geheim is om je steeds te herinneren, wat herinnerd moet worden”. Maar dat gebeurt natuurlijk alleen als het bewuste Zijn weer door zichzelf gevonden wil worden. Het voelde voor mij als een duidelijk besluit, waardoor ik de aandacht gericht kon houden op dát wat ik me steeds wilde herinneren.

184

Wat heeft het toch lang geduurd voordat ik dóórhad dat mijn geloof een lichaam te zijn de wérkelijke reden was dat ik ook meteen dat “plek-gevoel” had. De identificatie met “het hier op deze plek zijn” kwam gewoontegetrouw op. Het is natuurlijk achteraf gepraat maar als ik echt goed had opgelet zou me direct iets zijn opgevallen. Namelijk, dat zodra er zich een andere gedachte voordeed, dat gevoel “ik ben hier op deze plek”, op slag verdween! Dan zou ik meteen ook ontdekt hebben dat het “plek-gevoel”telkens komt en gaat, maar dat ik als het Waarnemen daarvan onveranderd aanwezig blijf. Het wéten dat ik ben, dus die bewuste Tegenwoordigheid was en is nog altijd het enige constante en dat zijnsbesef bleek dus niet van de identificatie met mijn lichaam af te hangen.

 

185

Toen ik nog in het duister tastte, kwam de gedachte wel eens op “maar als ik geen persoon ben, dan bestaat er ook geen persoonlijk middelpunt. Dan is er ook geen mogelijkheid voor een “ik besta op deze plek”gevoel”. Dus dan is er géén “hier” en daarmee ook géén “daar”en dan is er geen ruimte en ook geen tijd. Want dat zijn begrippen die bestaan in relatie met het geloof dat ik een persoon ben. “Oh jee, wat nu…?” Ik liet het dilemma daarna maar weer voor even voor wat het was, maar er zijn wel mensen die in de angst schieten bij dit soort mijmeringen. Want wat komt ervoor in de plaats? Niets? Bij dit beangstigende idee kijk je op zo’n moment nog altijd vanuit een plek naar de ruimte. Maar als je de ruimte bént, bén je overal. Wat ik wérkelijk ben is niet te lokaliseren. Het bewuste Zijn is nergens niet, overal neemt het uitsluitend zichzelf waarin gemanifesteerde vorm en viert zichzelf.